vraagjes economie lesbrief markt | Domein Markten | Forum

Let op: het OsAcademie forum staat in 'read-only' mode. Het is dus niet mogelijk om nieuwe berichten te plaatsen. Het forum blijft wel online, zodat bestaande vragen en antwoorden gelezen kunnen worden. Zit je in je examenjaar en heb je dringende hulp nodig? Dan is onze examentraining misschien iets voor jou. Wil je op de hoogte blijven van nieuwe gratis lesvideo's bij OsAcademie en tips voor je (bedrijfs)economie examen ontvangen? Registreer je dan hier.

Avatar
Wachtwoord kwijt?
Uitgebreid zoeken
Forum bereik


Match



Forumopties



Minimum lengte zoekwoord is 3 tekens - maximum lengte zoekwoord is 84 tekens
De forums zijn op dit ogenblik gesloten en zijn alleen voor lezen toegankelijk
sp_Feed Onderwerp RSS sp_TopicIcon
vraagjes economie lesbrief markt
23 december 2013
16:19
Avatar
234720
Lid
Gratis lid
Forumberichten: 21
Lid sinds:
23 oktober 2013
sp_UserOfflineSmall Offline

Beste meneer Os,

Als eerste een fijne kerst en een gezond 2014 toegewenst!

Heeft u misschien een idee wat het antwoord op deze vragen is:

- De relatie tussen loonkosten per werknemer, loonkosten per eenheid product en de Arbeidsproductiviteit kunnen weergeven.

- Beseffen dat loon inkomen betekent maar ook loonkosten en dat door een stijging van de loonkosten de concurrentiepositie verslechtert. 

- Uitleggen waarom de arbeidsmarkt geen markt van volkomen concurrentie is. 

- De relatie tussen hoog- en laagconjuctuur en de werkloosheid kunnen verklaren. 

b.v.d.

Met vriendelijke groet,

Annemarie

 

 

27 december 2013
11:32
Avatar
Christiaan van Os
Admin
Forumberichten: 279
Lid sinds:
2 september 2012
sp_UserOfflineSmall Offline

Dag Annemarie,

Dankjewel! Hopelijk heb jij ook een mooie kerst gehad en eindigt jouw schooljaar ook met mooie resultaten in 2014 :-).

Ik heb zeker wel een antwoord op onderstaande 'vragen' of beter gezegd statements. 

 

1) "De relatie tussen loonkosten per werknemer, loonkosten per eenheid product en de arbeidsproductiviteit kunnen weergeven"

Een werknemer dient loon te ontvangen van de werkgever (zijn baas). Wat voor de werknemer inkomen is, bestaat voor de werkgever uit kosten (loonkosten). Als de loonkosten per werknemer hoger zijn, dan zullen ook de loonkosten per product hoger zijn.

Bij een werknemer die 10 producten maakt per uur en per uur € 10 loon ontvangt, zijn de loonkosten per product 10 / 10 = €1

Wanneer de arbeidsproductiviteit door bijvoorbeeld scholing omhoog gaat en dezelfde werknemer opeens 12 producten maakt per uur voor hetzelfde loon, dan zullen de loonkosten per product dalen naar 10 / 12 = € 0,83.

 

2) "Beseffen dat loon inkomen betekent maar ook loonkosten en dat door een stijging van de loonkosten de concurrentiepositie verslechtert".

Zoals ik bij punt 1 al aangaf is loon inkomen voor de werknemer en een kostenpost voor de werkgever. Wanneer in Nederland de gemiddelde loonkosten stijgen (door bijvoorbeeld hoge looneisen van de vakbonden) terwijl deze loonkostenstijging in Duitsland relatief lager is, dan verslechtert onze concurrentiepositie ten opzichte van Duitsland. Duitse bedrijven die concurreren met Nederlandse bedrijven hebben dan namelijk relatief lagere loonkosten en dat betekent dat zij hun product goedkoper aan kunnen bieden ten opzichte van een Nederlands bedrijf. De klant zal dan het product bij de Duitsers afnemen en niet bij ons. Ook zullen Duitse bedrijven relatief meer geld over hebben om te investeren en daardoor bijv. een technologische voorsprong op een Nederlands bedrijf nemen waardoor de ze ook in kwaliteit (en niet alleen in prijs) op het Nederlandse bedrijf voorlopen.

3) "Uitleggen waarom de arbeidsmarkt geen markt van volkomen concurrentie is."

Een markt van volkomen concurrentie (ook wel volledige mededinging) is een 'perfect' werkende markt met veel vragers en aanbieders, een homogeen product, hoge transparantie op de markt (veel info over prijs en kwaliteit van product), geen/lage toetredingsbarrières en producenten hebben geen invloed op de verkoopprijs (exogene prijs noem je dit ook wel).

De arbeidsmarkt voldoet helemaal niet aan deze kenmerken en heeft een aantal 'imperfecties':

- Op de arbeidsmarkt is geen sprake van volkomen concurrentie (volledige mededinging). 
- De arbeidsmarkt bestaat niet, het zijn allemaal deelmarkten.
- Arbeid is geen homogeen product: arbeidskrachten hebben specifieke kennis, opleiding, ervaringen, etc..
- De arbeidsmarkt is niet transparant: werkgevers weten maar weinig over werknemers, er is sprake van asymmetrische (ongelijke) informatie.
- Er is ook geen sprake van vrije toetreding: voor bepaalde beroepen, jobs zijn diploma’s vereist.
- Er zijn marktpartijen die invloed hebben op de hoogte van het loon. De overheid bepaalt het minimumloon en vakbonden kunnen in cao’s hogere lonen bedingen

Gezien deze imperfecties kun je dus zeggen dat de Arbeidsmarkt niet voldoet aan de eisen van een markt van volkomen concurrentie. 

4) "- De relatie tussen hoog- en laagconjuctuur en de werkloosheid kunnen verklaren." (je kunt hier ontzettend veel kanten mee op, ik zal er eentje noemen).

In een laagconjunctuur kun je stellen dat de effectieve vraag afneemt en het vertrouwen in de economie relatief laag is. Consumenten geven dus weinig uit bijvoorbeeld angst voor het verliezen van hun baan en negatieve berichtgeving in de media. Dit betekent dat producenten minder gaan produceren en minder productie betekent dat er minder werk is en minder werknemers nodig zijn. Deze werknemer verliezen dus hun baan resulterend in een hogere werkloosheid (in dit geval afnemend vertrouwen en minder vraag een oorzaak van meer werkloosheid - het kan ook andersom, denk daar maar eens over na ;-)). Je zou ook de verkeersvergelijking van Fisher (M x V = P x Y) nog in je verhaal kunnen betrekken:

Maatschappelijke geldhoeveelheid (M) neemt af (banken lenen sowieso minder snel geld uit in een laagconjunctuur en schulden worden geïnd) en omdat op de korte termijn de Omloopsnelheid van het geld (V) en het prijspeil (P) min of meer constant zijn, zal de productie (Y) dalen waardoor werkloosheid toeneemt etc. 

In een hoogconjunctuur kun je stellen dat de effectieve vraag toeneemt, er is veel vertrouwen, de lonen zijn relatief hoog en stijgen en men consumeert dus in toenemende mate meer. Dit betekent dat de producent steeds meer moet gaan produceren en daarvoor meer werknemers nodig heeft, de werkloosheid zal dus afnemen. Met Fisher kun je zeggen dat de Maatschappelijke geldhoeveelheid toeneemt in een hoogconjunctuur en op de korte termijn wordt er dan dus meer geproduceerd (V en P zijn constant), althans totdat de natuurlijke productieomvang is bereikt. 

Kun je hier weer meer verder?

Ik hoor het wel van je.

Groeten,

Meneer van Os :-)

28 december 2013
11:47
Avatar
234720
Lid
Gratis lid
Forumberichten: 21
Lid sinds:
23 oktober 2013
sp_UserOfflineSmall Offline

Beste meneer van Os,

Zoals u misschien wel heeft gezien bij de vragen die ik al aan u heb gesteld is dat ik het moeilijk vindt om verbanden te leggen.

Weet u misschien iets waardoor ik makkelijker verbanden kan leggen tussen bepaalde onderwerpen bij een vak?

En hierbij nog een vraagje over de lesbrief markt:

Aan de hand van de verkeersvergelijking van Fisher (M*V=P*Y) kunnen uitleggen dat een vergroting van de geldstroom (M*V) bij laagconjunctuur tot een vergroting van Y (productie) leidt en bij hoogconjunctuur tot een vergroting van P (prijspeil, inflatie dus) en dat bij de huidige kredietcrisis een verkleining van de geldstroom tot een vermindering van de productie (Y) leidt. 

B.v.d.

Met vriendelijke groet,

annemarie

28 december 2013
19:48
Avatar
Christiaan van Os
Admin
Forumberichten: 279
Lid sinds:
2 september 2012
sp_UserOfflineSmall Offline

234720 zei
Beste meneer van Os,

Zoals u misschien wel heeft gezien bij de vragen die ik al aan u heb gesteld is dat ik het moeilijk vindt om verbanden te leggen.

Weet u misschien iets waardoor ik makkelijker verbanden kan leggen tussen bepaalde onderwerpen bij een vak?

En hierbij nog een vraagje over de lesbrief markt:

Aan de hand van de verkeersvergelijking van Fisher (M*V=P*Y) kunnen uitleggen dat een vergroting van Y (productie) leidt en bij hoogconjunctuur tot een vergroting van P (prijspeil, inflatie dus) en dat bij de huidige kredietcrisis een verkleining van de geldstroom tot een vermindering van de productie (Y) leidt. 

B.v.d.

Met vriendelijke groet,

annemarie

Annemarie,

Ik heb het idee dat er een deel van een zin mist in bovenstaande. Bij "een vergroting van Y (productie) leidt..." Klopt dat? Voordat ik antwoord op je vraag geef is dat handig om even te checken :-)

Edit: ik heb je oorspronkelijke bericht aangepast met de goede tekst

28 december 2013
19:58
Avatar
234720
Lid
Gratis lid
Forumberichten: 21
Lid sinds:
23 oktober 2013
sp_UserOfflineSmall Offline

Nu echt de laatste vragen voor mijn 2de schoolexamen:

'Uitleggen waarom bij ologiepolie toetreding lastig is en daarbij de termen schaalvoordelen, verzonken kosten en octrooien gebruiken'

'Redenen voor invoering maximum- en minimumprijzen kunnen noemen'

'Het oplossen van het probleem van free ridership als dominante strategie bij een samenwerkingsvraagstuk'

'Externe effecten kunnen uitleggen met daarbij het begrip maatschappelijke en interne kosten'

 

b.v.d. voor het beantwoorden van mijn vragen!

 

Met vriendelijke groet, Annemarie 

28 december 2013
20:27
Avatar
Christiaan van Os
Admin
Forumberichten: 279
Lid sinds:
2 september 2012
sp_UserOfflineSmall Offline

Annemarie,

Je doet in ieder geval moeite om achter antwoorden op vragen te komen, complimenten daarvoor :-). Ik zal je vragen wederom 1 voor 1 beantwoorden.

Allereerst je vraag over hoe je leert om verbanden te leggen bij een vak als economie (en ook veel andere vakken). Verbanden leggen tussen de verschillende begrippen bij een vak is uiteindelijk essentieel. Pas als je verbanden kunt leggen begrijp je echt waar de stof over gaat. Net als een taal heb je niets aan losse woorden als je die woorden niet kunt gebruiken om er zinnen mee te maken.

Hoe kun je jezelf daar het beste in trainen? Als ik jou was zou ik veelvuldig gaan oefenen met het maken van oorzaak gevolg rijtjes (als dit gebeurt, dan dat...) en ook echt doorgronden waarom het rijtje zo is. Na veel herhalen zouden ze dan uiteindelijk goed in je hoofd moeten zitten. Een voorbeeld van een rijtje is: rente ECB omlaag --> buitenlandse beleggers hebben dan minder vraag naar euro's --> koers van € gaat dan omlaag --> aanbod van € vervolgens ook omlaag.

Nu naar je andere vragen:

'Aan de hand van de verkeersvergelijking van Fisher (M*V=P*Y) kunnen uitleggen dat een vergroting van de geldstroom (M*V) bij laagconjunctuur tot een vergroting van Y (productie) leidt en bij hoogconjunctuur tot een vergroting van P (prijspeil, inflatie dus) en dat bij de huidige kredietcrisis een verkleining van de geldstroom tot een vermindering van de productie (Y) leidt. '

In een laagconjunctuur kun je er vanuit gaan dat de natuurlijke productieomvang nog niet bereikt is. Dit betekent dat alle productiefactoren (arbeid, natuur, kapitaal en ondernemerschap) nog niet maximaal benut worden en dat elk bedrijf dus nog niet gebruik maakt van zijn volledige productiecapaciteit). Wanneer de geldstroom dan groter wordt hebben mensen meer geld en zullen ze meer gaan consumeren. Bedrijven kunnen dan rustig hun productie gaan verhogen omdat de natuurlijke productieomvang nog niet bereikt is.

In een hoogconjunctuur draait de economie op volle toeren en komt er een moment dat de natuurlijke productieomvang bereikt is. Dit betekent dat alle productiefactoren maximaal benut worden en dat er simpelweg niet nog meer geproduceerd kan worden. Wanneer nu de geldstroom wordt vergroot en mensen nog meer geld hebben, willen ze nog meer consumeren en de vraag stijgt. Het probleem is nu dat het aanbod niet mee kan groeien. Er ontstaat dan een vraagoverschot. Om dit vraagoverschot weg te werken gaat de prijs omhoog en komt er dus inflatie.

In de huidige crisis hebben mensen over het algemeen minder te besteden, er kan moeilijker geleend worden bij banken en de geldstroom is nu dus kleiner. Daarom geven mensen minder geld uit en schroeven bedrijven hun productie terug.

 

'Uitleggen waarom bij oligopolie toetreding lastig is en daarbij de termen schaalvoordelen, verzonken kosten en octrooien gebruiken'

Een oligopolie is een markt met enkele aanbieders. Zijn het er twee, dan noem je het een duopolie, maar het kunnen er ook rustig 10-15 of meer zijn. In ieder geval zijn het geen duizenden aanbieders. Op een markt waar het oligopolie van toepassing is gaat het vaak om bedrijven waar veel kennis of kapitaal voor nodig is. Wanneer jij als nieuwkomer die markt op wil zul jij dus flink wat moeten investeren in bijvoorbeeld onderzoek om ook aan die kennis te komen, nog voordat jij weet of het een succes wordt met jouw bedrijf op die markt. Het risico bestaat dan dat je deze investeringen niet terug gaat verdienen als het mislukt, en dan heb je verzonken kosten. Ook hebben bestaande aanbieders vaak al schaalvoordelen, d.w.z.: zij produceren op een hele grote schaal waardoor ze hun constante kosten over heel veel producten kunnen uitsmeren waardoor de kosten per product relatief laag zijn. Daar kun jij als nieuwkomer nog niet tegenop, waardoor jouw kostprijs hoger is en je dus niet kunt concurreren op prijs. Ook bezitten bestaande bedrijven vaak een octrooi of patent waardoor zij een tijdelijk wettelijk monopolie hebben. Zij hebben dus het alleenrecht om bijv. gedurende 5 jaar dit specifieke product te produceren. De overheid geeft deze rechten af omdat zij bedrijven de kans willen geven om te investeren in onderzoek zonder dat er concurrentie is. Het risico is hierdoor kleiner. 

Al deze factoren samen zorgen ervoor dat het niet eenvoudig is om toe te treden bij een oligopolie.

 

'Redenen voor invoering maximum- en minimumprijzen kunnen noemen'

Het invoeren van minimum- en maximumprijzen is een vorm van ingrijpen door de overheid op de markt, omdat er sprake is van marktfalen (in de ogen van de overheid). Marktfalen wil zeggen dat er door bedrijven geen rekening wordt gehouden met externe effecten (zoals milieuvervuiling of dat producenten of consumenten problemen hebben op de markt, daarover zo meer...) en dat deze externe effecten niet meegenomen worden in de prijsvorming van het product. Ik zal wat concrete voorbeelden geven:

Maximumprijzen zijn globaal genomen bedoeld om de consument te beschermen tegen te hoge prijzen. Een reden hiervoor kan zijn dat de overheid het belangrijk vindt dat alle bevolkingsgroepen (ook de arme) toegang hebben tot een bepaald product, denk aan drinkwater bijvoorbeeld. De overheid legt dan een maximumprijs op aan de producent.

Minimumprijzen zijn globaal genomen bedoeld om de producent te beschermen tegen te lage prijzen. Het kan bijvoorbeeld zo zijn dat de evenwichtsprijs op een markt van volkomen concurrentie zo laag is, dat Nederlandse boeren zo weinig verdienen dat ze hier niet meer van kunnen leven. Als de boeren verdwijnen in Nederland worden we afhankelijker van import uit het buitenland en afhankelijkheid van andere (soms instabiele) landen kan ervoor zorgen dat de Nederlandse consument beperkt toegang heeft tot bepaalde producten. De overheid kan dan een minimumprijs invoeren (vaak hoger dan een marktevenwicht) zodat de boeren meer verdienen en kunnen blijven bestaan. 

 

'Het oplossen van het probleem van free ridership als dominante strategie bij een samenwerkingsvraagstuk'

Freeridership, ook wel meeliften (meeliftgedrag) is een begrip uit de speltheorie. Dit gebeurt bijvoorbeeld wanneer 1 speler (of groep spelers) investeert om bijvoorbeeld een dijk te bouwen en een andere speler (of groep spelers) ervoor kiest om niets bij te dragen. De speler die nu niets bijdraagt zal wel profiteren als de andere speler de dijk bouwt, maar draagt zelf niets bij. Een vergelijkbaar voorbeeld is te vinden wanneer twee leerlingen een werkstuk moeten maken en dat 1 leerling veruit de grootste bijdrage levert en dat de ander profiteert van het werk van de ander. 

De oplossing is vaak het samenwerken van beide partijen en afspraken maken. Dit moet dan gebeuren via geloofwaardige zelfbinding. Zelfbinding kan op meerdere manieren: belofte doen, dreigement maken of zelf actie ondernemen (daadwerkelijk laten zien dat je bijdraagt).

 

'Externe effecten kunnen uitleggen met daarbij het begrip maatschappelijke en interne kosten'

Extern effect kun je definiëren als: onbedoelde bijwerking van productie of consumptie die door anderen dan de veroorzaker worden ervaren. Laat ik een voorbeeld geven:

Reizen met een vliegtuig is slecht voor het milieu. Omdat vliegmaatschappijen geen extra (interne / eigen) kosten hebben door deze milieuvervuiling, zullen ze deze milieuvervuiling ook niet in de vliegprijzen doorberekenen.
De uiteindelijke rekening van de vervuiling komt zodoende te liggen bij de hele maatschappij (⇒ maatschappelijke kosten)

Om de effecten tóch in de prijs te verwerken zal de overheid in een aantal gevallen, bijvoorbeeld met boetes of heffingen, de producent laten betalen voor de negatieve bijwerkingen. Dit is de enige manier om de externe effecten alsnog in de prijs te kunnen verwerken.

 

Hopelijk kun je hier weer verder mee. Laat het me maar even weten!

 

3 januari 2014
17:01
Avatar
Maurits van Os
Gast
Guests

234720 zei
Beste meneer van Os,

Zoals u misschien wel heeft gezien bij de vragen die ik al aan u heb gesteld is dat ik het moeilijk vindt om verbanden te leggen.

Weet u misschien iets waardoor ik makkelijker verbanden kan leggen tussen bepaalde onderwerpen bij een vak?

En hierbij nog een vraagje over de lesbrief markt:

Aan de hand van de verkeersvergelijking van Fisher (M*V=P*Y) kunnen uitleggen dat een vergroting van de geldstroom (M*V) bij laagconjunctuur tot een vergroting van Y (productie) leidt en bij hoogconjunctuur tot een vergroting van P (prijspeil, inflatie dus) en dat bij de huidige kredietcrisis een verkleining van de geldstroom tot een vermindering van de productie (Y) leidt. 

B.v.d.

Met vriendelijke groet,

annemarie

Wellicht helpt het je om gebruik te maken van de concept map annemarie! Daarmee maak je een overzicht van begrippen en daartussen geef je de verbanden aan. Zie: https://www.osacademie.nl/less.....ren-leren/

20 januari 2014
18:27
Avatar
234720
Lid
Gratis lid
Forumberichten: 21
Lid sinds:
23 oktober 2013
sp_UserOfflineSmall Offline

Hey!

 

Ik heb voor economie een 6.9 en voor m&o een 7.9! Bedankt voor u hulp!

 

groetjes Annemarie

20 januari 2014
18:32
Avatar
Christiaan van Os
Admin
Forumberichten: 279
Lid sinds:
2 september 2012
sp_UserOfflineSmall Offline

234720 zei
Hey!

Ik heb voor economie een 6.9 en voor m&o een 7.9! Bedankt voor u hulp!

groetjes Annemarie

Wat goed! GefeliciteerdLaugh. Al je harde werken en het stellen van al je vragen heeft resultaat. Fijn dat ik kon helpen Annemarie.

Forum tijdzone: Europe/Amsterdam
Grootst aantal on-line gebruikers ooit: 90
Nu on-line:
5
Gast(en)
Nu op deze pagina:
1 Gast(en)
Top-schrijvers:
234720: 21
melanie106148: 16
Houdini: 8
xMarjoleintjex: 8
Joey: 8
s578766: 7
Laraaa: 7
Ilse: 6
Ilse_C: 6
Sinterbaas: 6
Gebruikers statistieken:
Gasten: 2
Leden: 1427
Moderators: 0
Beheerders: 1
Forum stat.:
Groepen: 5
Forums: 30
Onderwerpen: 179
Berichten: 578
Nieuwste leden:
Teddie, Martijnohr, Thera, Nmadanee, tibaax, alisia, Astrid, ambervg, sharonvanolstx, sharonvanolst
Administratoren: Christiaan van Os: 279
>
Share
Email
WhatsApp